AGGZ
op Mæt
Hulp aanbod
Werkwijze aanmelding
Methodieken
Media
Adres contact & info
Contactformulier

 

Het Bio-Psycho-Sociaal model


Waarom mensen precies last kunnen krijgen van psychische problemen is niet goed bekend. Wel is duidelijk dat het een ingewikkeld samenspel is van factoren op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied. De factoren die hierin een rol kunnen spelen, zijn onder andere:

  • Biologische factoren: genetische factoren, erfelijkheid, aanleg, stress bij zwangerschap ouder, bevaling, hormonale veranderingen, menstruatie, lichamelijke ziekten, voeding, drugs, alcohol, medicatie, algehele conditie, enz... 
  • Psychologische factoren: perfectionisme, extra of juist introversie, zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit, intellectualiteit, onzekerheid, aanpassingsvermogen, temparament, attitude, kortom iemands zijn persoonlijkheid
  • Sociale factoren; problemen in de opvoeding, (emotionele)verwaarlozing, conflicten, eenzaamheid, scheiding, moeilijkheden op het werk, werkloosheid, schulden, (negatieve)ervaringen, enz...

 

Het bio-psycho-sociale model kan samengevat worden in het onderstaande schema. Hierin ziet u dat een depressie ontstaat door een combinatie van kwetsbaarheid en belasting. Wie erg kwetsbaar is, heeft misschien geen duidelijke aanleiding nodig om depressief te worden. Bij mensen die minder kwetsbaar zijn, ontstaat een depressie pas na langdurige overbelasting. Een depressie ontstaat als de draaglast groter is dan de draagkracht.

 

 

 

 

Dit schema laat ook zien dat de combinatie van te veel stress en grote kwetsbaarheid kan bijdragen aan lichamelijke ziekten. Deze kijk op psychologische klachten is voor veel mensen een opluchting. Vooral als we de vergelijking met lichamelijke ziekten verder doortrekken, in de meeste gevallen kunt u ermee leren leven. Net als mensen met chronische aandoeningen als diabetes, reuma of hart- en vaatziekten moet u uw leefstijl aanpassen. Weten waar uw sterke maar ook uw zwakke punten liggen, is vaak het begin van acceptatie naar de weg van herstel en rehabilitatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Op Mæt werkt vanuit de visie van de:


Individuele Rehabilitatie, Systematische Rehabilitatiegericht werken,

Vraaggerichte Benadering en Herstel gerichte zorg.

 
De Individuele Rehabilitatie Benadering is een belangrijke vernieuwende beweging in de zorg. 
Op Mæt probeert hiermee zorg op maet en zorg-naar-wens aan individuele cliënten te geven, om op een praktische werkwijze cliënten te ondersteunen in hun dagelijks leven. Maar ook de familieleden en het sociale netwerk (systeembenadering) te ondersteunen. 
 
 
 
 
Rehabilitatie moet gezien worden als:
  • Een attitude, een bejegeningswijze
  • Een filosofie
  • Een hulpverleningsmethodiek (benadering)
  • Een manier om de zorg te (re)organiseren
  • Een benadering om de zorg te vermaatschappelijken
  • Een benadering om de cliënt in staat te stellen zoveel mogelijk in de samenleving de door hem / haar gewenste sociale rol te vervullen
 
 
 
De Individuele Rehabilitatie Methodiek bestaat uit:
 

Het Systematische Rehabilitatiegericht Handelen

(SRH)

De Individuele Rehabilitatie Benadering

(IRB)

SRH hanteert het Buitenperspectief

op verschillende ingangen, zoals:

 

Kwetsbaarheid, eigen wens en eigen keuze

(leef)milieu.

 

Wat alle aansluiten in het perspectief op de verschillende aspecten van de herstellende persoon en diens rehabilitatieproces.

IRB benaderd het Binnenperspectief.

 
De cliënt met en psychiatrische probleem staat als ondeelbaar individu in de wereld, en wel op vijf verschillende levensterreinen zoals:
 
Wonen
Werken of dagbesteding
Leren - hobby
Sociale en familie relaties
Financiën - schulden - budgeteren

 

 

 

Anders omschreven, het omvatten van meerdere niveaus van functioneren:
mens, maatschappij en leefmilieu.

 

 

 

 

Het herstelproces bestaat uit:

  • Stabilisatie: controle van symptomen en vermindering van leiden.
  • Heroriëntatie: exploreren van de implicatie van het ziek zijn.
  • Re-integratie: aangaan of herstellen van betekenisvolle relaties of rollen.
  • Normalisatie en Participatie
 
 
 
 
 Het Rehabilitatieproces bestaat uit vijf pijlers:
 

 
  

1. Motivatie

Mogelijkheden tot contact, tot sturing, vaardigheden te gebruiken. Variatie in handelen, duidelijke structuur, beschikbaarheid van hulpbronnen.

 

2. Status

De rol of activiteit die de cliënt zelf zinvol vind, de identiteit, sociale erkenning

 

3. Vaardigheden

Hoe vaardiger de cliënt, hoe makkelijker zal hij in staat zijn tot handelingscompetentie en een autonoom bestaan kunnen leiden.

  • Cognitieve vaardigheden, om situaties te overzien, geordend denken, problemen oplossen, communiceren.
  • Emotionele vaardigheden, omgaan met vreugde, verdriet, tegenslag, terugval ,teleurstelling, angst, vriendschap, stress en humor.
  • Praktische vaardigheden, huishoudelijke vaardigheden, administratieve vaardigheden, gebruik maken van communicatie middelen (internet, telefoon, tv) vervoermiddelen.
  • Sociale vaardigheden, praatje maken, luisteren, waardering tonen, complimenten ontvangen en geven.

4 & 5 Materiële steun - Sociale steun

  • Emotionele steun – uiten van onbegrip en woede
  • Instrumentele steun – Geven van praktische hulp
  • Informatieve steun – Geven van informatie en/of advies
  • Evaluatie steun - Geven van feedback op het functioneren
  • Waarderingsteun - het geven van waardering en vertrouwen
  • Normatieve steun – Gedragsnormen, adviezen beoordelingen

 

 

 

 

 

 

 

 

De taakgerichte hulpverlening richt zich op de behandeling van levensproblemen, of te wel psycho-sociale problemen. De taakgerichte hulpverlening maakt een onderscheid in de volgende probleem categorieën:

  • inter-persoonlijk conflict
  • onvoldaanheid in sociale relaties
  • problemen met formele organisaties
  • moeilijkheden met de rolverdeling
  • problemen met besluitvorming
  • reactieve emotionele nood
  • gebrek aan hulpbronnen
  • restcategorie

 

De taakgerichte hulpverlening is toepasbaar bij zowel materiële als immateriële problemen. De taakgerichte hulpverlening is probleemgericht, het werken aan het probleem staat centraal en niet het werken aan de persoon. Het probleem moet concreet geformuleerd worden en beperkt tot specifiek gedrag en specifieke omstandigheden. Het probleem moet van dien aard zijn dat de cliënt bereid en in staat is eraan te werken. De taakgerichte hulpverlening is een kortdurende vorm van hulpverlening van maximaal 15 gesprekken.

 

 

Taakgerichte hulpverlening werkt via fasen:

  1. Probleemexploratie:
    • welke problemen spelen er op dit moment, wat en hoe verteld de cliënt erover, hoe beleeft de cliënt het en heeft de cliënt al wat ondernomen
    • samenvatten wat de belangrijkste probleemaspecten zijn
    • globale uitleg van de methode (is de cliënt aan het juiste adres)
  2. Probleemafbakening:
    • prioriteiten stelen; welke problemen zijn het makkelijkst te beïnvloeden
    • wat zijn hinderpalen en beperkingen
  3. Probleemspecificatie:
    • wanneer doet het probleem zich voor
    • Wie zijn erbij betrokken
    • wat is er gedaan en wat moet er nog gebeuren
  4. Contractering:
    • het afgebakende probleem op papier zetten
    • de behandelingdoelen op papier zetten
    • de manier van werken op papier zetten
    • rol van de cliënt en de rol van de therapeut op papier zetten
  5. Taakselectie en taakvoorbereiding:
    • taakvoorstel doen
    • de haalbaarheid van het uitvoeren van de taak nagaan
    • een taakverdeling maken tussen cliënt en therapeut
    • een taakplanning maken
    • rapportage
  6. Uitvoering van de taak
  7. Taakrapportage en bespreking
    • nagaan of de taak is uitgevoerd
    • de effecten analyseren
    • bespreken hoe de taak is aangepakt
  8. Tussentijdse evaluatie:
    • wat is er tot nu toe gedaan en bereikt en wat moet nog gebeuren
  9. Afronding:
    • evaluatie; terugblikken - probleemverlichting
    • vooruit blikken; hoe verder voor de cliënt
  10. Afscheid nemen:

 

 

 

 

 

 

 

 

Centraal staat de balans of het evenwicht tussen kenmerken en vaardigheden – draagkracht - aan de ene zijde en draaglast en ontwikkelingstaken aan de andere kant: een weegschaalmodel.
 
Competentie is meer dan een vaardigheid: het is de kracht (vermogen, potentieel) die ontstaat in de verbinding van kennis en vaardigheden met persoonskenmerken en motivatie.
 
Het succes dat dit met elkaar oplevert is de eigenlijke competentie.
 
In de praktijk wordt vooral het accent gelegd op de vaardigheden en kennis, in mindere mate op motivatie en al veel minder op de persoonskenmerken. Je ziet dit wel terug in personeelsmanagement, maar amper in zorg- en hulpverleningskaders.
 
Competentiegericht werken, cq. het sociale competentiemodel, richt zich vooral op die concrete vaardigheden die in het leven van alle dag noodzakelijk zijn rondom zelfredzaamheid en sociaal functioneren.
 
Afhankelijk van de leeftijd komen daar ook ontwikkelingstaken bij die bij een specifieke leeftijd horen.
 
Er wordt gestart met een sterkte-zwakte analyse: waar liggen in de concrete taken de sterke en zwakke kanten en welke uitdagingen komen daar uit naar voren.
 
In de beoordeling worden de zgn. aspecten bij de persoon en omgeving die de draagkracht verhogen (mate aan veerkracht en protectieve elementen), of de draaglast verlagen (kwetsbare elementen, risico’s) meegenomen.
 
Het is van belang om deze analyse zoveel mogelijk met de betrokkene zelf te ondernemen om de eigen motivatie en persoonskenmerken aan te spreken.
 
Daarbij, als vorm van psycho-educatie, krijgt iemand op deze manier al een adequatere kijk op zichzelf. De kracht van deze werkwijze ligt tenslotte ook op de positieve benadering door de sterke punten naar voren te halen: niet zelden zijn de zwakke punten al vele malen benadrukt.
 
De uitdagingen vormen dan uiteindelijk concrete punten (werkdoelen) waaraan gewerkt kan worden. In de regel gaat het in dit model om een groepsdynamische aanpak middels fasen en scoringssystemen (Token Economy bijv.).
 
De fasen worden opgebouwd vanaf de alledaagse levensstructuren: ritme in de dag, zelfverzorging, houden aan afspraken, invulling vrije tijd, volhouden dagbesteding, omgaan met kritiek (feedback), vriendschappen en seksualiteit, e.d..
 
In elke volgende fase komen er zo steeds complexere vaardigheden bij. Bij het verwerven van de gewenste vaardigheden worden ook de mogelijkheden en motivatie van de betrokkene vergroot middels privileges / beloningen, die overigens ook weer kunnen worden afgenomen bij terugval.
 
De verworven vaardigheden worden als opgenomen verantwoordelijkheden gezien. D.w.z. de extern aangeleerde vaardigheden worden ‘eigen’ verworven taken.
 
Het probleemgedrag wordt meer specifiek gecombineerd aangepakt met aanvullende vormen van training en/of therapie.
 
De theoretische onderbouwing is bepaald door de vertaalslag die gemaakt moet worden tussen dat wat iemand wel weet maar nog niet concreet kan uitvoeren, in combinatie met de visie dat gedrag in stand wordt gehouden door bekrachtiging.

 

  • Dinther, M. van,
    Competentievergroting, in: - Bassant, J. & S. de Roos e.a.(red.), Methoden voor Sociaal-Pedagogisch hulpverleners, Coutinho – Bussum, 2003.
  • Slot, N.W. & H.J.M. Spanjaard,
    Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg, Baarn, 1999.
 
Maatschappelijk Advies En Trajectbegeleiding